Nederlands - nl-NLEnglish (United Kingdom)
Stamboom

1226657489_54251

‘Wij zijn ook jouw voorouders, vergeet ons niet’

De droom was helder. In de droom liep ik op een kerkhof. Een oud kerkhof, met mossige zerken, gehuld in letters uit een vreemde taal. Vreemd genoeg kon ik ze lezen. Ik liep op de doodspaden met een man in het zwart. Hij zong liederen, haast in zichzelf, en zijn bovenlichaam wiegde op eigen tonen.
‘Hier rust hij, jouw voorvader’ zong de man.
‘Hier slaapt zij, jouw voormoeder’
‘Vergeet ons niet’
Hij legde een witte gebedssjaal over mijn schouders.

‘Nee’
Ik zeg het hardop, rechtop in mijn bed.
Een resoluut nee, tegen hen waar ik vandaan kom. Ik ken ze niet. Ik wil het niet. Dit pijnvolk, dit confrontatievolk, dit volk met te zwaar beladen schouders.
Mijn stamboom heeft al zoveel zware takken, sommigen steunen moe op de aarde. Deze tak is oud en broos. En ik wil niet nog meer dragen, ik kan het niet, mijn rug is de mijne.  

Ik loop zo snel ik kan, maar ik struikel steeds. Het sneeuwt, en mijn voeten willen niet meer verder vechten tegen de witte dood. Ze zijn moe, ze willen stoppen, ze weigeren. Met mijn handen op mijn knieën haal ik diep adem, en zie dan het graf onder mij. Het is van steen, grijze bergensteen, het is het geplunderde graf van de Noordse voorouder.   

‘Vergeet ons niet’  

‘Nee’ Ik zeg het hardop, rechtop in mijn bed.

‘Ik ben jullie niet vergeten’  

De stamboom staat scheef. De takken aan de Noordelijke kant hellen zwaar over; ijspegels maken het hout zwaar. Er hangen gebedslinten aan, in rood en blauw. De poolster hangt aan een hoge tak: ze wiegt in onzichtbare wind. Noordelijke voorouders zitten naast de stam, in een cirkel.

Een voormoeder klopt naast haar, op de sneeuw. 'Kom, kleindochter. Niet alles is pijn’  

De takken aan de Zuidelijke kant zijn rood. Vergoten bloed kleurt het hout. De Dwaalplaats van het Pijnvolk. Zij die ik niet wil zien.

'Ik kan jullie last niet dragen’ zeg ik tegen de Zuidenwind.

‘Verlicht ons dan’

Een man in het zwart klopt naast hem, op de dorre woestijngrond.

‘Kom, kleindochter. Niet alles is pijn’   

Mijn Sami grootmoeder schuifelt op haar rendierschoenen naar de zuidkant van de boom. Ze draagt het rood en blauw van haar volk. Haar hand strekt en ze raakt

de wang van de man in het zwart.

‘Laten we samen dragen, wij hebben sterke schouders’

De man knikt verheugd.

Dan tillen ze mij op.

Ik loop zo snel ik kan, maar ik struikel steeds. Het sneeuwt, en mijn voeten willen niet meer verder vechten tegen de witte dood. Ze zijn moe, ze willen stoppen, ze weigeren. Met mijn handen op mijn knieën haal ik diep adem, en zie dan het graf onder mij. Het is van steen, grijze bergensteen, het is het geplunderde graf van de Noordse voorouder.   

‘Vergeet ons niet’  

‘Nee’ Ik zeg het hardop, rechtop in mijn bed.

‘Ik ben jullie niet vergeten’  

De stamboom staat scheef. De takken aan de Noordelijke kant hellen zwaar over; ijspegels maken het hout zwaar. Er hangen gebedslinten aan, in rood en blauw. De poolster hangt aan een hoge tak: ze wiegt in onzichtbare wind. Noordelijke voorouders zitten naast de stam, in een cirkel.

Een voormoeder klopt naast haar, op de sneeuw.

‘Kom, kleindochter. Niet alles is pijn’  

De takken aan de Zuidelijke kant zijn rood. Vergoten bloed kleurt het hout. De Dwaalplaats van het Pijnvolk. Zij die ik niet wil zien.

‘Ik kan jullie last niet dragen’ zeg ik tegen de Zuidenwind.

‘Verlicht ons dan’

Een man in het zwart klopt naast hem, op de dorre woestijngrond.

‘Kom, kleindochter. Niet alles is pijn’   

Mijn Sami grootmoeder schuifelt op haar rendierschoenen naar de zuidkant van de boom. Ze draagt het rood en blauw van haar volk. Haar hand strekt en ze raakt

de wang van de man in het zwart.

‘Laten we samen dragen, wij hebben sterke schouders’

De man knikt verheugd.

Dan tillen ze mij op.

 

12736990_10153257303091875_96397074_o

 

9200000015016081

<n-beschermheer-t

nephithumb

av-thumb

wp0_wp1d8042fd

cover ademtocht

wp0_wp1df422fd